De wereld van tech en de wereld van de psychiatrie lijken elkaars tegenpolen. Tech is snel, iteratief en gericht op experiment. De psychiatrie is voorzichtig, gewetensvol en gericht op veiligheid. Dat is logisch: een mislukte app-update is iets anders dan een mislukte behandeling. Toch liggen er in de manier van werken in tech een paar principes waar de psychiatrie veel aan kan hebben, zonder aan veiligheid in te leveren: prototypen, werken met MVP’s en accepteren dat goede zorg nooit ‘af’ is.
1. Prototypen: niet meteen in steen hakken
In tech is een prototype een goedkope, snelle vertaling van een idee naar iets tastbaars. Het gaat niet om mooi of perfect, maar om leren. In de ggz worden nieuwe programma’s, intakes en werkvormen vaak direct als “af” ontworpen: er komt een protocol, een stappenplan en scholing, en daarna gaat het live. Pas dan blijkt in de praktijk dat de route voor cliënten verwarrend is, het intakeformulier belastend voelt, of de wachtruimte juist stress triggert.
Stel dat je een nieuw traject voor jongeren met angstklachten wilt opzetten. In plaats van meteen een volledig traject uit te schrijven, zou je eerst de route als prototype kunnen bouwen: op papier, met post-its of in een simpele schets. Hoe ziet de weg eruit van aanmelding tot afronding? Waar moet iemand wachten? Waar vertelt iemand zijn verhaal? Welke momenten in die route kunnen beschamend, bureaucratisch of onduidelijk zijn? Je test die route niet op echte cliënten, maar loopt hem samen met behandelaren, ervaringsdeskundigen en waar mogelijk cliënten die expliciet meedenken in het ontwerp.
Hetzelfde kun je doen met een intakeformat: speel een fictief gesprek na met een collega als ‘cliënt’, neem het op en kijk terug. Welke vragen voelen als een kruisverhoor? Waar stokt het gesprek? Welke stukken kun je misschien visueel, spelenderwijs of digitaal ondersteunen in plaats van alles in één zwaar gesprek te stoppen? Je verandert niks aan diagnoses of medicatie, maar speelt met vorm en proces. Dáár kun je relatief veilig mee experimenteren.
2. MVP: klein beginnen, echt leren
Tech werkt met Minimum Viable Products: kleine, minimale versies die nét genoeg waarde bieden om er iets van te leren. In de zorg is de reflex vaak om eerst alles volledig uit te denken, te financieren en te protocolleren. Als het dan eenmaal draait en het blijkt niet goed aan te sluiten, is stoppen politiek en emotioneel ingewikkeld: er zit al te veel investering in.
Een MVP in de psychiatrie betekent niet ‘halve therapie’, maar een klein, zorgvuldig afgebakend experiment rondom één concreet doel. Stel dat je de wachttijd minder schadelijk wilt maken. In plaats van meteen een uitgebreid ‘wachttijdprogramma’ te bouwen, zou je kunnen beginnen met één korte psycho-educatieve module die jongeren in de wachttijd kunnen doen, gecombineerd met een enkel check-in moment halverwege. Je meet op een simpele manier hoe spanning, hoop en betrokkenheid veranderen tussen begin en eind van de wachttijd. Werkt het niet of nauwelijks, dan heb je in een paar maanden geleerd wat niet werkt, zonder een compleet traject in beton gegoten te hebben.
Hetzelfde geldt voor ouderbetrokkenheid bij depressieve jongeren. In plaats van een volledig ouderschapstraject uit te rollen, kun je starten met één ouderbijeenkomst van anderhalf uur, een werkblad voor thuis en een korte follow-up per mail. Daarna kijk je: kwamen ouders opdagen, voelden ze zich beter geïnformeerd, zagen behandelaren verschil? Vanuit die inzichten kun je opschalen, bijsturen of besluiten dat het in deze vorm niet zinvol is.
Belangrijk is dat een MVP begrensd is in tijd en doelgroep, en dat je van tevoren afspreekt wanneer je evalueert en welke keuzes er dan op tafel liggen: doorgaan, aanpassen of stoppen. Dat maakt verbeteren minder dramatisch en normaliseert dat niet elk idee het eindstation hoeft te halen.
3. Never done: zorg in permanente bèta
In tech is iedereen eraan gewend dat een product nooit af is. Er zijn altijd updates, fixes en verbeteringen, omdat de wereld, de technologie en de gebruikers veranderen. In de psychiatrie overheerst nog vaak projectlogica: ontwikkeling, implementatie, evaluatie, rapport en dan is het klaar. Maar psychische problemen, maatschappelijke druk, digitale omgeving en taal veranderen continu. Wat tien jaar geleden modern was, kan nu betuttelend of ronduit onhandig zijn.
“Never done” in de ggz betekent niet dat je voortdurend alles overhoop haalt, maar dat je kleine, doorlopende verbeteringen normaal maakt. Bijvoorbeeld door maandelijks heel kort terug te kijken met een team en waar mogelijk cliënten: wat werkte deze maand goed, wat werkte niet, welke ene kleine verandering proberen we de komende maand? Liever tien kleine iteraties dan één groot project per vijf jaar.
Daarbij hoort dat je interventies versies geeft en de wijzigingen bijhoudt. Een programma kan gewoon v1.0, v1.1 en v1.2 hebben. Bij elke versie beschrijf je kort wat je gewijzigd hebt en waarom: een intake is ingekort, er is een extra sessie voor naasten toegevoegd, of de volgorde van onderdelen is aangepast omdat mensen anders afhaken. Stoppen met verouderde onderdelen hoort daar ook bij. In tech is het normaal dat features worden uitgefaseerd. In de zorg voelt stoppen vaak als falen, terwijl het juist een teken kan zijn van volwassenheid: je durft los te laten wat niet meer past.
Wat je níet moet kopiëren
Niet alles uit tech is wenselijk in de psychiatrie. ‘Move fast and break things’ is een slechte strategie als je werkt met kwetsbare mensen. Verslavingsmechanieken, growth-hacks, maximale dataverzameling en gedragssturing zonder echte toestemming horen niet thuis in goede zorg. De les uit tech zit niet in agressieve groei, maar in het vermogen om klein te beginnen, te durven leren en open te zijn over wat nog onzeker is.
Dat betekent dus: wel experimenteren met wachtruimte, vragenlijsten en contactvormen; niet experimenteren met medicatie buiten richtlijnen; wel data gebruiken om patronen te zien; niet cliënten reduceren tot datapunt in een dashboard waar zij zelf geen zicht op hebben.
Van patiënt naar medeontwerper
Een van de sterkste lessen uit moderne productontwikkeling is dat je dingen niet voor maar mét gebruikers bouwt. In de ggz zien we al langer cliëntenraden en ervaringsdeskundigen, maar ze komen vaak laat in beeld. Dan ligt het programma grotendeels vast en mogen zij vooral feedback geven.
Een meer ‘tech-achtige’ benadering zou zijn om cliënten, naasten en ervaringsdeskundigen al bij het begin te betrekken: bij het scherp krijgen van het probleem, bij de eerste prototypes van een route of gesprek, en bij de keuze wat je vooral niet gaat doen. Dat vraagt om andere vormen dan een enquête achteraf: co-designsessies, testdagen, sessies waarin je letterlijk samen de ervaring doorloopt en aanpast.
Geen ander vak, wel een andere houding
Prototypen, MVP’s en ‘never done’ vragen niet om een nieuwe psychiatrie, maar om een verschuiving in houding. Minder de neiging om alles tot in detail dicht te timmeren voordat het het licht mag zien, en meer de bereidheid om in kleine stappen, transparant en met duidelijke ethische en medische grenzen te bouwen. Niet denken: implementatie is het eindpunt, maar: nu begint het pas echt met leren.
Tech laat zien dat systemen kneedbaar zijn als je de drempel om te leren laag maakt. De psychiatrie hoeft niet harder te gaan rennen. Ze moet alleen slimmer kiezen waar en hoe ze experimenteert – en accepteren dat goede zorg, net als goede software, nooit af is.
-
Lees meer van Mathijs van Meerkerk op StigMathijs (Substack).
-----------------------------------------------------------------------------------------
Vind je dit interessant? Misschien is een abonnement op de gratis nieuwsbrief dan iets voor jou! GGZ Totaal verschijnt tweemaal per maand en behandelt onderwerpen over alles wat met de ggz te maken heeft, onafhankelijk en niet vooringenomen.
Abonneren kan direct via het inschrijfformulier, opgeven van je mailadres is voldoende. Of kijk eerst naar de artikelen in de vorige magazines.








