EMentalHealth verdient meer aandacht van opleider en zorgverlener

maandag 22 juni 2015

EMentalHealth is nog niet verankerd in de GGZ-zorg, meent Heleen Riper, hoogleraar eMental-Health en klinische psychologie aan de VU. Dat is zonde, want uit onderzoek blijkt dat veel patiënten baat hebben bij deze vorm van hulp. “Het is tijd voor een drastische omslag die moet beginnen bij de zorgverleners. Als zij hun denkpatronen veranderen en meer ruimte geven aan eMentalHealth biedt dat kansen voor henzelf en de patiënt.”

Om haar vakgebied te definiëren spreekt Heleen Riper zelf liever over eMentalHealth dan over eHealth. Dit om te voorkomen dat allerlei digitale toepassingen met elkaar op een hoop worden gegooid. “EMentalHealth richt zich op preventie en op de basis en gespecialiseerde GGZ-zorg. Ik definieer eMentalHealth als het slim inzetten van nieuwe technologieën en media voor alle vormen van psychische zorg en het hele zorgtraject. Vaak wordt gedacht dat deze vorm van zorg zich alleen leent als ondersteuning voor een behandeling, maar eMentalHealth kan ook ingezet worden in de preventieve zorg en de nazorg, bijvoorbeeld om een terugval te voorkomen.”

 

Asynchrone behandeling
Uit onderzoek blijkt steeds duidelijker dat eMentalHealth effectief is, de zorg goedkoper kan maken en een groter publiek kan bereiken. Riper: “Online vormen van zorg kunnen heel goed ingezet worden in de preventieve zorg als psycho-educatie. Mensen helpen dan zichzelf, eventueel onder begeleiding van een coach. Zeker bij cognitieve gedragstherapie en probleemoplossende therapieën levert dit vaak goede resultaten op.” Ook wanneer preventie een gepasseerd station is en mensen een langer durende behandeling nodig hebben, kunnen begeleide internetinterventies volgens Riper een belangrijke meerwaarde hebben. “Vanzelfsprekend blijft een BIG-geregistreerde therapeut nodig om de behandeling te begeleiden en waar nodig te interveniëren, maar ook in dit stadium kunnen mensen heel veel zelf doen. Zeker voor patiënten die last hebben van schaamtegevoelens en het confronterend vinden om persoonlijk daarover te praten met een therapeut, kan een asynchrone behandeling, waar patiënt en therapeut op afstand en niet gelijktijdig op elkaar reageren, een uitkomst zijn.”

 

Blended zorg
Er is steeds meer wetenschappelijk bewijs dat eMentalHealth werkt voor mensen die in meer of mindere mate last hebben van angsten of depressies. Ook lijken internetinterventies heilzaam voor online suïcidepreventie, preventie van eerste psychosen en overbelasting bij mantelzorgers. Daarom is het zonde, zegt Riper, dat eMentalHealth vooral via standalone interventies wordt toegepast. “We zien nog onvoldoende dat internetinterventies voor psychische problemen geïntegreerd zijn in de therapeutische praktijk. Het komt nog te weinig voor dat huisartsen of zorgverleners binnen een GGZ-instelling naar een online therapie verwijzen. EMentalHealth is, kortom, nog niet verankerd in de dagelijkse praktijk.”

In de ideale wereld van Heleen Riper is dit wel het geval en kunnen patiënten een beroep doen op ‘blended zorg’, waarbij het beste van alle mogelijke therapieën is samengevoegd. “Bij blended behandelen worden face-to-face therapieën gecombineerd met behandelingen online. EMentalHealth is dan niet langer een apart onderdeel van de zorg, omdat het is geïntegreerd met de andere behandelingen. We weten echter nog niet precies wat de juiste balans is tussen de face to face- en internetcomponenten en of deze vorm van behandelen klinisch werkt en kosteneffectief is. Dat onderzoeken we nu bij de VU en GGZinGeest binnen een grootschalig Europees project. ”  

 

Effectiever en efficiënter
Van de online standalonetherapieën is inmiddels aangetoond dat deze effectief zijn, het onderzoek naar de blended zorg staat nog in de kinderschoenen. “Er zijn wel aanwijzingen dat deze zorg ook effectief is”, zegt Riper. “Aanbieders kunnen efficiënter werken omdat zij hun feedback niet direct hoeven te geven, maar hier een termijn voor kunnen inplannen. Daarbij is het een voordeel dat de therapeut beter inzicht krijgt in het huiswerk van de patiënt. Wat voorheen in een boekje werd opgeschreven, komt nu digitaal beschikbaar. Of de behandeling de therapeut minder tijd kost omdat patiënten vaker zelfstandig aan hun klachten werken wordt op dit moment onderzocht.” 

Veel onderzoeksvragen zijn echter nog niet beantwoord, omdat er vaak sprake is van een complexere en zwaardere problematiek in de dagelijkse praktijk dan het geval is bij de mensen die geselecteerd worden voor klinisch onderzoek, legt Riper uit. “Om goed onderzoek te kunnen doen moeten wij mensen werven die voldoen aan vooraf gestelde inclusiecriteria. Het aantrekken van vrijwillige deelnemers uit de algemene bevolking gaat makkelijker dan het werven van mensen uit de patiëntenpopulatie in de basis of gespecialiseerde GGZ, waardoor we het wetenschappelijk bewijs voor deze groepen nog onvoldoende hebben kunnen aantonen.” 

 

Stepped and matched care
Wel is duidelijk dat de nieuwe media de mogelijkheid bieden om gepersonaliseerd te werken en dat dit veel kansen oplevert. Onderzoekers doen steeds meer kennis op als het gaat om het integreren van eMentalHealth in de zogenoemde ‘stepped and matched care’, maar ook op dit vlak is het onderzoek nog in volle gang, vertelt Riper. “We weten dat het werkt, maar weten nog onvoldoende voor wie het werkt. Om de vraag te kunnen beantwoorden in hoeverre we rekening moeten houden met de patiënt, is meer informatie van therapeuten die eMentalHealth inzetten, nodig.” 

Uit onderzoek komt wel naar voren dat online zorg niet voor iedereen geschikt is. “Patiënten moeten over een zekere zelfdiscipline beschikken en gemotiveerd zijn voor de behandeling”, stelt de hoogleraar klinische psychologie.  “Wanneer dat niet het geval is, is het maken van vaste afspraken wellicht een betere optie. Ik zeg overigens niet dat patiënten voor face-to-face therapieën niet gemotiveerd zouden moeten zijn. In een face-to-face sessie kan de therapeut echter wat makkelijker direct aanspraak doen op de motivatie van de cliënt. Eén van de vragen die we nu onderzoeken is hoe we de patiënt ook bij standalone of blended-therapieën beter kunnen motiveren door slim gebruik te maken van de technologie in aanvulling op de kennis en kunde van de therapeut. ” 

Want als de patiënt open staat voor eMentalHealth, worden de mogelijkheden steeds innovatiever en talrijker en, door het ontstaan van meerdere communicatiekanalen, steeds meer  op de persoonlijke situatie toegespitst. “Twintig jaar geleden ontstond mijn interesse in eMentalHealth”, blikt Riper terug. “Een groot verschil tussen toen en nu is dat we in het verleden bestaande boekjes vertaalden naar het web. Nu is de therapie aangepast aan het communicatiekanaal dat wordt gebruikt. Een smartphone heeft verschillende kenmerken: mensen hebben hem altijd bij zich en daardoor is het mobieltje heel toegankelijk. Aan de andere kant is het scherm klein en kun je er dus minder en andere informatie op kwijt dan op een lap- of desktop. Dan rijst de vraag: wat doe je met welk kanaal? De smartphone is bijvoorbeeld geschikt voor het meten van stemmingen of om snel contact te krijgen met hulpverleners bij een crisis. Wanneer een patiënt uitgebreid verhaal moet doen, ligt deze vorm van mobiele hulp minder voor de hand.”

 

Nieuwe tak van sport
Hoewel Nederland wereldwijd vooroploopt in het onderzoek naar en implementatie van online preventie en behandeling, is van een grootschalig gebruik van online hulp nog geen sprake. Riper wijst hier verschillende redenen voor aan. “Online hulpverlening is voor veel therapeuten een andere en nieuwe tak van sport, waaraan zij nog niet zijn gewend. Ook opleidingen besteden nog maar mondjesmaat aandacht aan eMentalHealth. Opleiders weten niet genoeg af van het onderwerp en kunnen daardoor ook niet genoeg kennis overbrengen op hun studenten. Op alle terreinen, technologie, voorlichting en opleiding, is een drastische omslag nodig. De GGZ maakt deze omslag nu veel te langzaam en loop daarom veel kansen mis.” 

Het argument dat dit soort processen nu eenmaal veel tijd kosten wil Riper eigenlijk niet horen. “Zodra het technologisch mogelijk was, heeft de Belastingdienst Nederlanders aangemoedigd om digitaal de belastingaangifte te doen. Nu haalt bijna niemand het nog in zijn hoofd om een papieren aangifte in te dienen, zo snel is iedereen digitaal gegaan. Hoewel het digitaal aangeven van je belasting een andere zaak is dan de hulp bij psychische problemen, kunnen we er wel veel van leren. Als we binnen de GGZ op dezelfde wijze hadden gehandeld, waren we nu al een stuk verder geweest. Ik pleit daarom voor een brede aanpak, waarin op alle opleidingsniveaus wordt geïnvesteerd in eMentalHealth, want het is onze opdracht om de effectiviteit van therapieën te verbeteren. Online therapieën kennen nu al vergelijkbare klinische uitkomsten met face-to-face therapieën. Ik zeg nog niet dat ze beter zijn, maar daar zou de uitdaging voor de GGZ wel moeten liggen.”


Reageren op dit artikel? Mail dan naar: 

ingezonden@ggztotaal.nl

Naar het e-magazine

Bekijk het archief

 

Neem contact op


Op de hoogte blijven?


Vul uw emailadres in en ontvang gratis ons magazine!

 

 

Disclamer & privacy


Hoe gaan we met jouw gegevens om?

 

Het laatste nieuws


  • Onderzoek naar rol van ggz-agogen en verpleegkundigen in gebiedsteams

  • Veel mentale klachten op de werkvloer

  • Campagne moet mythen over psychose ontkrachten

  • MIND: data in de ggz moeten extra worden beveiligd

  • Hakken

    van de redactie

Zoeken


 

Social media


FacebookTwitterLinkedInInstagram

 

Weesperzijde 10-H   |   1091 EA Amsterdam   |  info@ggztotaal.nl   |   Webdesign PEW

Copyright 2026 - GGZ Totaal
Inloggen | Ziber Website | Design by PEW Grafisch ontwerpstudio