Schreeuwend afgevoerd

Door: Jeroen Jongkind

 

Gedwongen opgenomen in een kliniek...

 

Eind februari 2010. Ik lig in een ambulance, totaal in de war (zonder dat zelf in de gaten te hebben op dat moment). Ik kan switchen tussen dimensies door te knippen met mijn vingers en vraag aan de ambulancebroeder: “Ga je mee naar de zevende dimensie?” en knip daarbij met mijn vingers. Ik word wakker in een donkere cel zonder mijn bril op, ik lig op een harde verhoging, met een stevige mat er op. In de hoek liggen kartonnen schaaltjes, waar je je behoefte in kan doen. Eén keer plas ik in de hoek van de cel heel voorzichtig in een kartonnen schaaltje, er hangen hier veel camera’s volgens mij. Waar zou ik zijn? In een politiebureau ergens in Nederland? Ik heb geen idee waar ik ben. Op het raam hangt deel van de wettekst WGBO, er staat een spelfout in. Dus ben ik blijkbaar nog in Nederland. Als het nog lichter wordt zie ik buiten voetbalvelden. Ik hoor wat geluiden op de gang. Ik heb nog steeds geen idee waar ik ben en waarom ik hier ben opgesloten?

Ik druk op een grote gouden knop. De celdeur wordt ontgrendeld. Twee verpleegkundigen komen binnen en leggen mij uit wat er afgelopen nacht is gebeurd en waarom ik hier ben. Ik ben weer redelijk helder, daarom vraag ik of ik mag douchen aan de verpleegkundigen. Dat kan, bij de douche blijven zij op gepaste afstand op de gang wachten met zijn tweeën. Ik doe mijn bril weer op, die lag buiten de cel in mijn schoenen te wachten. Wat er allemaal is voorgevallen afgelopen nacht weet ik niet meer.

Ik moet wachten in een grote kamer. Hier kan je weinig schade aanrichten, harde plastic stoelen met een gat erin, zodat urine niet in de zitting achterblijft. Er komt een psychiater, die mij van alles meedeelt, maar die ik niet vertrouw, ik moet medicijnen slikken van haar, maar dit wil ik niet... Ik ben niet gek. Ik ben bang voor een verslaving. ”Dat is heel vervelend voor u, dat u mij niet gelooft”, sluit de psychiater haar pleidooi af.

Nu mag ik voor het eerst de afdeling op, samen met anderen die ook denken dat zij verlicht zijn. Ik heb wel wat contact met anderen en zeg soms gedag, wij hebben weinig woorden nodig want deze mensen zijn allemaal verlicht. Wij zijn uitverkoren om dit te mogen meemaken, het verpleegkundig personeel, begrijpt dit niet. Het lijkt wel of wij hier collectief worden opgesloten, we zitten allemaal in hetzelfde schuitje, aan een blik heb ik genoeg om de situatie van de ander te begrijpen. Iemand wordt schreeuwend afgevoerd.

Ik loop door een doolhof van smalle hoekige gangen, er hangt een penetrante geur. De man die hier de muren staat te schilderen, zegt mij vriendelijk gedag, maar het is in mijn ogen een vermomde duivel met een snor in een wit pak, die zich voordoet als schilder. Ik zie mensen die naar mij loeren, overal zitten demonen die mij in de gaten houden. Gelukkig zitten er ook goede mensen tussen, maar een onderscheid maken is bijna onmogelijk. Wie zijn de goede en staan aan mijn kant en wie zijn de slechten? Ik besluit heimelijk te onderzoeken wie goed zijn en wie slecht, niks laten merken nu. Ik gluur voorzichtig door het raampje van de deur van het kantoortje waar de verpleegkundigen zitten, een verpleegkundige ziet mij. Zou ze mijn onderzoek door hebben? Zij lijkt mij ook zeker iemand die zich alleen voordoet als een verpleegkundige.

Later sta ik buiten in een afgesloten binnentuin. Er vliegt een helikopter over en een hommel komt wel heel dichtbij, deze houden mij als afgezanten van de hel in de gaten. Geen ontsnappen aan, ik moet hier snel weg, ik wil naar binnen, maar de deur zit op slot. Daarom bel ik aan, ze doen niet open. Ik bel nog een keer en nog een keer, opeens komen er acht duivels aanrennen en zij proberen mij de hel in te trekken, maar ik wil niet, ik verzet mij met hand en tand, maar de overmacht is te groot zij trekken mij de verdoemenis in. Ok rustig maar, ik werk wel mee... kan mijn armen ook niet meer bewegen. Ze gooien mij op een bed in een isoleercel, ze trekken mijn broek half naar beneden, ik krijg een prik in mijn bil, ik lig uren met mijn gezicht naar beneden en beweeg mij niet, uit angst dat de duivels terugkomen.

Hommel2 Hommel2